Nieuwsbrief 15 jaargang 1

Vijftiende nieuwsbrief van mijn praktijk.
Deze keer ga ik in op:
–  didactische vraag: vervolg op ‘Hoe kan ik mijn leerlingen het beste motiveren en stimuleren?
–  hoogbegaafdheid;
– Wist u datjes waarin u weer leuke informatie           en weetjes kunt lezen en tevens een rectificatie over de Citotoets!
Veel leesplezier!
 
Didactische vraag van één van mijn collega’s:
‘Hoe kan ik ‘mijn’ leerlingen het beste motiveren en stimuleren?’
Motivatie is een voorwaarde voor leren. ‘Iets willen bereiken’, ‘enthousiast zijn’ en ‘er voor gaan’ geven aan dat een leerling gemotiveerd is. In grote lijnen zijn er twee manieren om een leerling te motiveren:

  • Persoonsgericht stimuleren: gericht op hoe de leerling zich voelt.
  • Opdrachtgericht stimuleren.

Zó kun je jouw leerling o.a. stimuleren:

  • Laat zien waarom dit werk leuk is en straal zelf ook uit dat je dit werk leuk vindt.
  • Sluit zoveel mogelijk aan bij de behoeften en de interesses van de leerling.
  • Geef jouw leerling het vertrouwen dat hij bepaalde verantwoordelijkheden aan kan. Dit kun je bijvoorbeeld doen door de leerling opdrachten te laten uitvoeren terwijl je met iets anders aan de slag gaat. Kom natuurlijk wel af en toe kijken!
  • Waardeer de leerling. Benoem na het uitvoeren van de opdracht niet alleen de dingen die beter kunnen, maar benoem ook de goede punten.
  • Bouw een relatie met de leerling op. Geef aandacht, toon interesse voor de leerling en laat ook iets van jezelf zien.
  • Zorg voor prettige werkomstandigheden. Laat de leerling contact maken met andere leerlingen en betrek de leerling bij de groep.
  • Prikkel de aandacht van de leerling en zorg voor afwisseling in het werk.
  • Bespreek regelmatig de vorderingen met de leerling.
  • Geef opdrachten die passen bij het niveau van de leerling.
  • Bied de leerling de mogelijkheid om dingen op zijn eigen manier te doen.
  • Geef opdrachten die passen bij het (toekomstige) werk.
  • Geef duidelijke instructies.
  • Maak de leerling duidelijk dat fouten maken horen bij het leerproces!

Hoogbegaafdheid.
Ik heb leuke reacties gehad op het stukje wat de moeder van haar begaafde leerling heeft geschreven. Nogmaals bedank ik haar hartelijk.
Haar laatste woorden waren:
Ouders: wacht niet te lang met zelf een initiatief nemen voor een brede test. Scholen wachten veel te lang af………”
Met een score van 130 of hoger op een intelligen-tietest wordt iemand hoogbegaafd genoemd. Maar hoogbegaafdheid is meer dan alleen een getal. Een hoogbegaafd kind is ook erg creatief en gemotiveerd. Daarnaast spelen gezin, andere mensen in de omgeving van het kind en de school een rol bij de manier waarop hoogbegaafdheid tot uiting komt in gedrag of prestaties.
Kenmerken hoogbegaafdheid bij kinderen:
Een hoogbegaafd kind valt op meerdere terreinen op. Leest je kind begin groep 3 al op een hoog niveau, dan betekent dat nog niet dat hij hoogbegaafd is. Om van hoogbegaafdheid te kunnen spreken, spelen meerdere zaken mee.
Kenmerken die je vaak ziet bij hoogbegaafde kinderen zijn o.a.:

  • algehele ontwikkelingsvoorsprong ten opzichte van leeftijdsgenoten;
  • vlotte taalontwikkeling en grote woor-denschat;
  • zeer leergierig;
  • zichzelf leren lezen, schrijven en/of rekenen;
  • veel diepgaande vragen stellen (bijvoor-beeld over leven en dood);
  • originele oplossingen bedenken voor vraagstukken;
  • perfectionistisch;
  • ver doordenken en snel verbanden leggen;
  • zeer goed geheugen;
  • groot rechtvaardigheidsgevoel.

Deze kenmerken hoeven niet allemaal van toepassing te zijn bij hoogbegaafdheid en kunnen zich bij elk kind anders uiten, afhankelijk van onder meer persoonlijkheid. Bovendien kunnen een of meerdere kenmerken verborgen blijven door bijvoorbeeld dyslexie, of doordat je kind op school is gaan onderpresteren doordat hij te weinig wordt uitgedaagd. Ook kan het zo zijn dat een kind zich al in de eerste maanden van groep 1 gaat aanpassen aan het niveau van de groep omdat hij denkt dat dat van hem verwacht wordt!
Dit bemoeilijkt vaak het overleg tussen ouder en leerkracht, omdat je kind thuis en op school ander gedrag laat zien. Of nu ander gedrag laat zien dan voorheen.
Valkuilen hoogbegaafdheid:
Hoogbegaafdheid lijkt op het eerste gezicht misschien alleen maar leuk. Maar er zijn ook een aantal valkuilen.
Hoogbegaafdheid en sociale ontwikkeling:
De intellectuele ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen loopt vooruit op hun kalenderleeftijd. Het is echter een fabeltje dat de sociale ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen altijd achter blijft bij de intellectuele. Vaak gaan die twee ontwikkelingen gelijk op!
De snelle sociale en intellectuele ontwikkeling van een hoogbegaafd kind kan problemen opleveren in de contacten met leeftijdgenootjes, maar dat hóéft niet.
Gedragsproblemen.
Een hoogbegaafd kind kan zich in de klas gaan vervelen als hij niet genoeg uitgedaagd wordt. Gedragsproblemen (op school en/of thuis) kunnen het gevolg zijn.
Onderpresteren.
Aanpassing aan de middenmoot is ook een vorm van onderpresteren. Het kind probeert dan niet op te vallen in de klas door zich aan te passen aan het niveau van de andere kinderen. Je kind presteert dan misschien wel ‘goed’, maar zou veel meer aankunnen en presteert dus onder zijn kunnen.
 
Door bovenstaande valkuilen kan het gebeuren dat de hoogbegaafdheid van een kind niet of pas laat onderkend wordt, waardoor het onderwijs-aanbod niet adequaat kan worden afgestemd op de behoefte. Een kind krijgt bijvoorbeeld het stempel ‘druk’ of zelfs ‘ADHD’, terwijl hij zich misschien alleen maar verveelt in de les. Dit alles kan negatieve gevolgen hebben voor de leermotivatie van het kind, en, ook later op de middelbare school en daarna, tot problemen leiden.
Extra aandacht voor hoogbegaafde leerlingen.
Als het kind hoogbegaafd blijkt te zijn, nadat hij getest is door een goede orthopedagoog, zoals de moeder in mijn vorige nieuwsbrief voorstelde, is het belangrijk dat hij op school een passend onderwijsaanbod krijgt. Onvoldoende uitdaging kan snel leiden tot demotivatie! Dat kan gaan van kleine aanpassingen in het lesmateriaal (er zijn veel aanvullende materialen voorhanden die de school kan aanbieden. Het is dan wel belangrijk dat het niet bij ‘aanbieden’ blijft, maar ook nabespreken en helpen waar dat nodig is) tot ingrijpender zaken als het compacten en/of verrijken van de lesstof van één of meerdere jaren.
Ook thuis kun je je kind stimuleren door hem of haar bijvoorbeeld een veemde taal te laten leren of een muziekinstrument te laten bespelen.
Ook contact met andere bovengemiddelde intelligente kinderen kan heel waardevol zijn voor het kind. Kan dat niet op school, kijk dan eens in de buurt of er activiteiten worden aangeboden voor meer- en hoogbegaafde kinderen.
Kijk ook eens bij Pharos, de vereniging voor ouders van hoogbegaafde kinderen en bij het CBO, het Centrum voor Begaafdheids Onderzoek in Nijmegen.
Kinderuniversiteit.
Verschillende universiteiten hebben bijzondere programma’s voor kinderen in elke leeftijd. Vaak zijn ze niet specifiek gericht op hoogbegaafden, maar zeker wel op kinderen met een brede interesse!
Zo organiseert de Universiteit van Tilburg elk jaar 6 à 7 colleges op het gebied van economie, recht, sociale wetenschappen, letteren, filosofie en theologie op het niveau van kinderen van groep 6, 7 en 8. Kijk eens op www.kinderuniversiteit.nl
 
Er is in het onderwijs tegenwoordig wel aandacht voor (hoog)begaafde leerlingen. Vaak zijn er mappen met werkbladen en/of een ‘kieskast’ met uitdagende materialen. De leerlingen krijgen het reguliere werk in meer of mindere compacte vorm aangeboden en mogen daarna ‘extra werk’ maken. Gewoonlijk is dit nog alles zo vormgegeven dat de leerlingen (na een minimale werkinstructie) zelfstandig door kunnen werken.
Is dat de juiste aanpak?
Nee, eigenlijk niet.
Voor de groepsleerkracht is het natuurlijk gemakkelijk dat de hoogbegaafde leerlingen lekker aan het werk zijn, zodat hij de handen vrij heeft voor de zwakkere leerlingen. Maar de hoogbegaafde leerlingen worden nog steeds niet zó geprikkeld dat ze echt tot leren en inspanningen worden aangezet in de reguliere groep. Oneerbiedig gezegd, ontvangen zij soms nog gedurende de basisschooltijd de meeste tijd bezigheidstherapie, alle goede bedoelingen ten spijt. Juist het feit dat deze leerlingen zo veel ‘aan hun lot worden overgelaten’, lijkt ertoe te leiden dat zij niet optimaal presteren.
Wat hebben deze leerlingen dan wel nodig?
Hoe kunnen leerkrachten tegemoet komen aan de capaciteiten en onderwijsbehoeften van hoogbegaafde leerlingen?
Om te beginnen door goede instructie.
Dit zijn geen leerlingen die juist met een goed samengesteld en uitdagend onderwijsaanbod zelfstandig kunnen werken!
Alle leerlingen kunnen pas echt leren wanneer zij ver genoeg buiten hun ‘comfortabele zone’ worden geplaatst. Alleen dan worden ze uitgedaagd om prestaties te leveren. Maar daarbij hebben ze wel ondersteuning nodig van de leerkracht.  Wanneer leerlingen zelfstandig het werk kunnen maken, worden ze niet aangezet tot het leveren van excellente prestaties.
Wanneer een leerkracht in staat is zó te differentiëren dat zowel de zwakkere, de gemiddelde als de betere leerlingen passend onderwijs krijgen, kunnen alle leerlingen hun mogelijkheden optimaal ontplooien en zorgen we ervoor dat al ‘onze’ leerlingen zich fijn voelen in de klas.

Hoogbegaafde leerlingen hoeven zeker niet over alle hoogbegaafdheidskenmerken te beschikken om mogelijk toch hoogbegaafd te zijn. De verschillen tussen hoogbegaafde leerlingen onderling kunnen heel groot zijn. Een leerling kan ook hoogbegaafd zijn op een bepaald gebied (bijvoorbeeld rekenen) en niet op een ander vlak (bijvoorbeeld taal). Bovendien laten niet alle leerlingen altijd door middel van goede prestaties aan de leerkracht zien wat ze in hun mars hebben. Ook het signaleren van onderpresteer-ders is soms lastig.
Hoe kun je het beste te werk gaan als je een vermoeden hebt dat een leerling hoogbegaafd is?

Informatie verzamelen.
Om te kunnen beoordelen of een kind mogelijk hoogbegaafd is, is het van belang om een zo compleet mogelijk beeld van een leerling te krijgen. Daartoe staan de school verschillende informatiebronnen ter beschikking: ouders, de observaties van de leerkracht, het kind zelf, medeleerlingen en testen.
Volgende keer ga ik hier uitgebreider op in.
Een verhaal uit de praktijk:
Anita en Dick, de ouders van Floris, hebben een intakegesprek met Guusje, onderbouwcoördinator van de basisschool. ‘Kunnen jullie eens iets vertellen over de interesses van Floris?’ vraagt Guusje. ‘Nou’, begint Dick aarzelend, ‘dat is eigenlijk wel gek. Floris heeft heel erg veel belangstelling voor de ruimte. U weet wel, voor sterrenstelsel en dat soort dingen. Hij heeft Sinterklaas vorig jaar gevraagd om boekjes over planeten en over de space shuttle. En  hij wilde ook een nep sterrenkijker’. ‘We vinden hem nogal wijs voor zijn leeftijd’, vult Anita aan. ‘Hij is zo vlug met alles! Met tien maanden kon hij al lopen en met anderhalf jaar kletste hij ons de oren van het hoofd. We laten hem ook wel eens helpen met eten koken. Toen hij 2,5 jaar was, sneed hij al paprika’s met het scherpe keukenmes. Onze oudste zoon hadden we zoiets nooit laten doen – dat is vragen om ongelukken. Maar bij Floris weten we gewoon dat hij voorzichtig zal zijn’.
Hoogbegaafde kinderen blijken vaak in de voorschoolse periode al te beschikken over een enorme onderzoeksdrang, voortkomend uit hun behoefte aan autonomie (zelfstandigheid). Ze vertonen bovendien grote interesse in de wereld om hen heen. Wat er gebeurt of wat ze zien, onderzoeken ze bijvoorbeeld door vragen te stellen aan volwassenen of door dingen proefondervindelijk te ervaren. Ook voeren ze met volwassenen en oudere kinderen soms al gesprekken over onderwerpen als de dood of wereldrampen.

 

  • ik verkeerd was geïnformeerd over de twee niveaus van de Centrale Eindtoets van Cito en jullie dus ook verkeerde informatie heb gegeven?
  • ik hiervoor mijn verontschuldiging aanbied!
  • er inderdaad twee niveaus zijn: de Basis (‘gewone’ toets) die wordt gemaakt door de leerlingen die als advies VWO, HAVO, VMBO g/t hebben gekregen en de Niveau toets die wordt gemaakt door de leerlingen die het advies VMBO b/k hebben gekregen?
  • beide toetsen wel worden omgerekend naar eenzelfde scorestandaard?
  • het hebben van een grote broer of zus een voordeel kan zijn als die het goed doet op school? Het jongere kind is dan geneigd om het nóg beter te doen. Een studie, die vier jaar lang de onderwijsresultaten van 220.000 Britse kinderen volgde, toonde dit aan;
  • er vaak sprake is van Cyberpesten (pesten via internet)?
  • op www.4wkennisnet.nl een heel artikel over dit onderwerp te vinden is?
  • blijven zitten ouderwets genoemd wordt?
  • er volgens onderzoek van het Centraal Planbureau ‘efficiëntere manieren’ zijn om hetzelfde onderwijsniveau te bereiken, zoals bijspijkercursussen en zomerscholen?
  • de leerling nu een heel jaar over moet doen, terwijl de leerafstand zich vaak maar beperkt tot enkele vakken?
  • het doel van staatssecretaris Dekker is om het percentage zittenblijvers te reduceren van jaarlijks 5,8 % van alle leerlingen in 2014 tot 3,8 % in 2020?
  • de volgende nieuwsbrief weer over twee weken naar je toe wordt gestuurd?
  • je mij kan en mag vragen om onderwer-pen te bespreken?
  • ik je mijn hartelijke groeten doe en je met alles veel succes toewens?

Tot ziens in de volgende nieuwsbrief!!

Reacties zijn gesloten.