Nieuwsbrief 22 jaargang 1

22ste nieuwsbrief van mijn praktijk.
Mijn uitgangspunt van deze week:
‘If you can dream it, you can do it’.
 
Deze keer ga ik in op:

  • Hoogsensitiviteit en beelddenken;
  • De vraag van een ouder over de hoge eisen die tegenwoordig worden gesteld aan kinderen;
  • wist u datjes waarin u weer leuke informatie kunt lezen.

Veel leesplezier!
 
Beelddenken:
Waar komt de term beelddenken vandaan?
Rond 1940 constateerde de Haagse logope-diste Maria Krabbe dat een aantal kinderen uit haar praktijk anders communiceren. De taalvaardigheid van deze kinderen was duide-lijk minder goed dan hun vaardigheden op andere terreinen. Dit wees er volgens haar op dat er kinderen zijn die op een andere manier met informatie omgaan. Zij zocht naar een theorie van waaruit zij de kenmerken van deze kinderen met elkaar in verband kon brengen. Die theorie vond ze in hun manier van denken.
Ze noemde dit fenomeen ‘beelddenken’; een denken in beelden en gebeurtenissen. Dit in tegenstelling tot ‘taaldenken’ dat een denken in woorden en begrippen is.
Na haar overlijden werd haar werk voortgezet door Nel Ojemann, Montessori-leerkracht, remedial teacher en docente aan de universi-teit van Groningen. Zij beschreef in 1987 het beelddenken als ‘een vorm van denken die iedereen zolang men jong is gebruikt’ en rond het vijfde, zesde levensjaar loslaat om over te gaan op het ‘woorddenken’ of ‘begripsdenken’. Beelddenkers zouden dit laatste niet doen en
juist gebruik blijven maken van het ‘beeldden-ken’.
 
Twee testjes die ik je aanbied om eens zelf te ervaren hoe dit voor jou werkt:
 
 
In ons land wordt nog volop onderzoek gedaan naar beelddenken, maar het wordt nog niet als een soort van handicap of stoornis gezien. Dit is het ook eigenlijk niet, want het zijn wel degelijk kwaliteiten. Het is alleen heel jammer dat leerkrachten soms geen rekening houden met het veranderen van woorden in beelden en vervolgens van de beelden in woorden. Het kind reageert dan later dan verwacht, waardoor het lijkt alsof het kind het antwoord niet weet en hierdoor op wordt beoordeeld. Of het antwoord wordt voorgezegd.
Beelddenken kan ook nog niet door middel van een wetenschappelijke test gediagnosticeerd wor-den. Het komt (nog) niet voor in DSM  5.  Er is wel een test die gebruikt kan worden om kinderen te herkennen, maar die test kan door iedereen anders geïnterpreteerd worden, dus dat is ook geen overtuigend bewijs. Kinderen die in beelden denken, hebben dus ook geen recht op extra voorzieningen in het onderwijs. Het hangt dus van de begeleiding van de leerkracht af in hoeverre een beelddenker geholpen kan worden binnen het onderwijs. Om een beelddenker te kunnen begeleiden is het van belang dat een leerkracht weet wat beelddenken is en hoe je hier het beste mee om kunt gaan in de dagelijkse onderwijsprak-tijk.
Elk mens wordt als beelddenker geboren. We kennen nog geen taal en kunnen nog nauwe-lijks beredeneren. Een baby ontwikkelt zich en leert via plaatjes, geluiden, bewegingen, klan-ken, muziek, kleuren; dit noem je de  zintuig-lijke ontwikkeling. Al deze informatie verwerkt een jong kind via de rechterhersenhelft en noem je het primaire denkproces.
Gaandeweg praten de ouders tegen het kind en leert het kind praten.
Zo rond het vijfde, zesde levensjaar wordt meestal de overstap gemaakt naar het talige denken. Dit heet secundair denken en de informatieverwerking verplaatst zich naar de linkerhersenhelft. Het kind begint te denken in woorden, leert beredeneren, ordenen, plannen, werken met tijd, rekenen, lezen en schrijven.
Enkelen blijven echter de voorkeur geven aan het denken in beelden. Deze voorkeur voor beelden is aangeboren en meestal erfelijk bepaald. Vroegtijdige signalering is van groot belang om het kind op de juiste manier te kunnen begeleiden zodat problemen binnen het onderwijs voorkomen of beperkt kunnen worden.
Deze kinderen denken middels beelden en moeten hier achteraf woorden bij zoeken om hun gedachten en ideeën uit te leggen aan anderen.
Zogenoemde ‘taaldenkers’ gebruiken beelden alleen als ondersteuning en geheugensteun. Een ‘taaldenker’ bedenkt een beeld bij zijn woorden.
Iedereen kan dus in beelden denken, maar er is een verschil in hoe men deze beelden gebruikt.
Als iemand het woord ‘stoel’ zegt zal de beelddenker dus een beeld van een stoel in zijn gedachten zien en bij de taaldenker komt het woord zelf in zijn gedachten.
 

Beide hersenhelften ontwikkelen zich wel gewoon door en er is dan ook geen verband tussen het beelddenken en het ontwikkelings-niveau van de leerling. Dit betekent ook dat een beelddenkende leerling best heel hoog kan scoren op het verbale deel van een intelligentietest.
Beelddenkers zien gedachten als een film aan zich voorbij trekken met een snelheid van 32 beelden per seconde! Bij taaldenkers worden slechts twee woorden per seconde verwerkt.
Davis (auteur van het boek De Gave Van Dyslexie) veronderstelt dat de beelddenker geen last heeft van al die beelden, omdat het waarnemen heel snel gaat. De tijd is te kort om zich bewust te worden van wat er gebeurt. Het beelddenken voltrekt zich dus op het niveau van het onbewuste. Iemands hersenen krijgen de gedachte, maar hij is er zich niet van bewust. De persoon wordt zich bewust van het resultaat van zijn gedachteproces zodra dat beschikbaar komt, maar hij is zich niet bewust van het proces zelf. Hij weet het antwoord zonder te weten waarom dat het antwoord is.
 
Beelddenkers behoren veelal tot het non-verbale type, ze denken vooral in beelden en minder in taal/begrippen. Ze merken veel op van wat ze zien en onthouden beelden en details en kunnen precies aangeven wat er gebeurde, ze kunnen situaties als een film voor zich zien.
Beelddenkers hebben een totaalbeeld in hun hoofd en weten hoe het één en ander in elkaar zit. Ze zetten bijvoorbeeld losse onderdelen van een brommer schijnbaar moeiteloos in elkaar. Als ze een klein element van het geheel zien, weten ze de rest al. Dat maakt dat ze dikwijls niet meer luisteren, niet meer bij de les zijn, dromerig worden gevonden en bezig zijn met de eigen voorstelling en ideeën.
In beelden wordt informatie gelijktijdig aangeboden. Deze informatie omzetten in taal vraagt om een analyse en versnippering van het beeld in woorden. Het ordenen van informatie (letters, woorden, zinnen, agenda, omgeving) is een probleem waar veel beeld-denkers tegen aan lopen.
 
Beelddenken is een BEGRIJPEND denken, een BELEVEND denken. Dat  wat begrepen, gezien en ervaren kan worden, dat is tastbaar/leerbaar. Het onthouden van wat geleerd wordt, wordt vergemakkelijkt wanneer het gevisualiseerd of uitgevoerd ervaren wordt.
Voor meer informatie verwijs ik je graag naar mijn website: www.fridyremedialteaching.nl en ik wil je graag wijzen op een informatieve site die veel duidelijk kan maken op het gebied van beelddenken: www.beeldenbrein.nl. Ook kan ik je o.a. het boek van de schrijvers Anneke Bezem en Marion van de Coolwijk adviseren als je hier meer informatie over wilt lezen, die o.a. het boek Beeld en Brein, sneller, leuker en effectiever leren adviseren (ISBN 90.808.754.2.2). Deze boeken zijn ook in mijn praktijk in te zien.
 
Vraag van een ouder van één van mijn leerlingen: Waarom MOET mijn kind toch zo veel op school en waarom lijkt het erop dat de eisen steeds groter worden?
(Dank je wel voor het stellen van deze vraag). Een direct antwoord op jouw vraag geven is lastig voor mij, omdat ieder kind, iedere ouder, iedere leerkracht en iedere school anders is. Ik zie iedere dag ook niet anders in mijn werk. Ook ik zie de eisen die aan de kinderen worden gesteld en soms ook de wanhoop bij de kinderen daarover. Soms worden kinderen ook overvraagd, te veel en te vaak geprikkeld om nóg beter te presteren en soms wordt geprobeerd om dit te bereiken door het kind veel huiswerk mee te geven, waardoor het kind ook thuis nog moet oefenen. In mijn praktijk geef ik mijn leerlingen natuurlijk ook meestal oefenwerk mee (als dit zin heeft), want in dat ene uurtje per week krijg ik het zonder medewerking van het kind, de ouders en de leerkrachten niet voor elkaar om binnen een gestelde tijd een leerprobleem te verbeteren.
Thuis mag echter nooit een verlengde van school worden. Met andere woorden: het kind mag nooit overbelast worden.
Voor mij als RTer betekent dit goed observeren, goed in overleg blijven en vooral stimuleren, want er zijn nu eenmaal ook ouders die dit extra oefenen helemaal niet zien zitten door gebrek aan tijd of motivatie, terwijl het kind dit eigenlijk wél graag wil, omdat het kind ook zelf verbetering ervaart en ziet dat alles dan toch een stuk makkelijker gaat.
Om hier een nog beter en vooral verantwoor-der antwoord op te kunnen geven verwijs ik je  naar de website: www.kerndoelen.kennisnet.nl waar je de voornaamste doelen van het onder-wijs kunt vinden.
 
Ik ga hier kort in deze toch belangrijke doelen:
Onderwijs heeft drie belangrijke functies: het draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van kinderen, het zorgt voor overdracht van maat-schappelijke en culturele verworvenheden en het bereidt kinderen voor om te participeren  in de samenleving. De belangrijkste dingen die kinderen moeten leren om actief deel te nemen aan de samenleving, staan vastgelegd in de zogenaamde kerndoelen. De kerndoelen zijn streefdoelen die aangeven waarop basisscho-len zich moeten richten bij de ontwikkeling van hun leerlingen. Scholen mogen zelf bepalen hoe de kerndoelen binnen bereik komen. Kerndoelen zorgen ervoor dat kinderen zich in hun schoolperiode blijven ontwikkelen en ze garanderen bovendien een breed en gevari-eerd onderwijsaanbod. Daarnaast dienen de kerndoelen als referentiekader voor (publieke) verantwoording. Er kan door dit kader beter worden vastgesteld of doelen wel of niet bereikt worden.
In de eerste plaats omschrijven de doelen het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze kunnen worden bereikt. De kerndoelen doen geen uitspraken over didactiek. Gezien het karakter van het basisonderwijs dienen  leraren een beroep te doen op de natuurlijke nieuwsgierigheid en de behoefte aan ontwik-keling en communicatie van kinderen en deze te stimuleren. Door een gestructureerd en interactief onderwijsaanbod, vormen van ontdekkend onderwijs, interessante thema’s en activiteiten, worden kinderen uitgedaagd in hun ontwikkeling.
In de tweede plaats dienen inhouden en doe-len zo veel mogelijk op elkaar te worden afgestemd, verbinding te hebben met het dagelijks leven en in samenhang te worden aangeboden. In concreet onderwijs zijn door-gaans doelen uit verschillende hoofdstukken tegelijk van belang. Taal bijvoorbeeld komt voor bij alle vakken. Aandacht voor cultuur is niet beperkt tot het kunstzinnige domein. Omgaan met informatietechnologie geldt voor alle gebieden.
In de derde plaats dient er aandacht te worden besteed aan doelen die voor alle leergebieden van belang zijn: goede werkhouding, gebruik van leerstrategieën, reflectie op eigen hande-len en leren, uitdrukken van eigen gedachten en gevoelens, respectvol luisteren en kritiseren van anderen, verwerven en verwerken van informatie, ontwikkelen van zelfvertrouwen, respectvol en verantwoordelijk omgaan met elkaar en zorg voor en waardering van de leef-omgeving.
 
Als remedial teacher, die breed is opgeleid, heb ik geleerd dat je vooral naar de des-betreffende leerling moet kijken.  Ik kijk dan ook vooral naar de kwaliteiten van ieder kind afzonderlijk en probeer zoveel mogelijk te bereiken door te stimuleren, gesprekken te hebben en het ‘probleem’ waarvoor dit kind bij mij in behandeling is zo gericht en zo speels mogelijk aan te pakken.
De eisen die aan een kind worden gesteld zijn ook hoog. Ik zie dit dagelijks in mijn praktijk. Er zijn echter ook heel veel mogelijkheden om eventuele problemen in de cognitieve, de sociaal-emotionele of de motorische ontwikke-ling aan te pakken, waardoor het kind mogelijk toch beter in zijn vel komt te zitten, omdat hij of zij dan toch ervaart dat hij of zij meer kan dan er aanvankelijk werd gedacht.
Ik ga uit van de kwaliteiten die dit desbetref-fende kind heeft en probeer deze in te zetten bij het behandelen van overige problemen, zoals aan mij in de hulpvraag door de ouders wordt gesteld en door mijn onderzoek duidelijk wordt.
Hiernaast probeer ik het kind, maar ook de ouders en de leerkracht op een goede manier te stimuleren en duidelijk te maken dat deze extra oefeningen nu eenmaal nodig zijn, omdat het kind anders verder weg gaat zakken. Hierdoor zouden weer andere problemen kunnen ontstaan, o.a. met het gedrag van het kind en dat moeten we toch geen van allen willen.
De ouders zijn dé expert van hun eigen kind en door veelvuldige gesprekken en overleg met hen en met het kind en de leerkracht kan ik als remedial teacher vaak veel bereiken.
Het zou jammer zijn als het kind niet kan bereiken wat het eigenlijk zou willen en kunnen bereiken, omdat ouders soms de eisen te hoog vinden. Van de andere kant moet ik als RTer ook goed inschatten of bij deze leerling nog wat te bereiken valt of dat we beter kunnen accepteren dat dit kind nu eenmaal deze problemen heeft en dan een oplossing zoeken voor dit kind door een andere vorm van onderwijs op een andere school, of……?
Kortom: RT biedt ieder kind op welke leeftijd dan ook alle mogelijke kansen om de totale ontwikkeling zo goed mogelijk te kunnen stimuleren. Prachtig werk, wat ik iedere dag weer mag doen en wat mij veel voldoening geeft en tevens veel respect oplevert van mij voor de inzet van het kind en zijn ouders.
 

 
 

 

  • veel van mijn leerlingen al in een soort van vakantiegevoel zitten?
  • enkele ook al eindexamen hebben gedaan en nu wachten op de uitslag?
  • dit voor hen over het algemeen spannend is?
  • ik ook  wel aanhoor dat dit HELEMAAL niet spannend is, maar ik echter toch zie dat deze woorden ten onrechte worden uitgesproken en dat zij ook vaker het toilet bezoeken dan normaal, maar blijven beweren dat e.e.a. hen niets doet?
  • het zo fijn is als je door dit soort reacties heen kunt kijken?
  • dat dit ook geldt voor alle anderen, omdat zij ook graag naar de volgende klas gaan?
  • de kinderen van groep 8 nu bijna allemaal een zucht van verlichting kunnen slaken, omdat zij zeker weten dat zij zijn aangenomen op de school voor voortgezet onderwijs?
  • dit voor enkele van mijn leerlingen eveneens heel spannend was en heel erg lang duurde?
  • enkele leerlingen de eindtoets basis-onderwijs toch met een lagere totaal-score hebben gemaakt dan hun leerkracht of ik hen hadden ingeschat?
  • dit echter niet betekent dat zij het niet kunnen, maar dat er veel andere aspecten zouden kunnen spelen?
  • zij toch naar de school voor voortgezet onderwijs mogen die is geadviseerd?
  • dat dit toch af en toe een conflict oplevert en iedereen aan deze nieuwe regeling moet wennen?
  • op vrijdag 9 oktober 2015 in het Beatrix Theater in Utrecht een heel interessant kennissymposium wordt gehouden over jongeren met leer- en gedragsstoornissen in de puberteit?
  • dat dit wordt georganiseerd door die fantastische oudervereniging Balans?
  • dat ouders, leerkrachten van het basis- als voortgezet onderwijs, jeugdhulp-verleners en andere professionals die te maken hebben met pubers en jong volwassenen hierbij van harte welkom zijn?
  • je hier het puberbrein en ontwikke-lingsproblemen van jongeren leert begrijpen?
  • je gesprekstechnieken leert om in con-tact te komen en te blijven met hen?
  • je leert welke signalen wijzen op angst, depressie, sociaal isolement en versla-ving?
  • je tevens leert hoe je je zorgen over je puber bespreekbaar kunt maken en met wie?
  • je samen met anderen je ervaringen kunt uitwisselen tijdens de thee- en lunchpauze?
  • je korting krijgt als je je vóór 1 juli aanmeldt?
  • je meer informatie hierover kunt vinden op www.balans.nl?
  • je mij als Remedial Teacher ook altijd dit soort vragen mag stellen?

 

  • ik iedereen veel succes toewens bij deze laatste weken van het schooljaar 2014/2015? Sluit ook dit schooljaar prettig en succesvol af alsjeblieft.
  • Hartelijke groeten van mij en tot over twee weken. Geniet van alles!

 
Mijn kind lijkt zo onzeker: wat kan ik doen?
Regelmatig worden er in mijn praktijk leerlin-gen aangemeld die het minder goed doen in de klas, maar waarbij de ouders juist het idee hebben dat hun kind intelligent genoeg is om deze vorm van onderwijs aan te kunnen. Ook de leerkrachten kunnen dan geen duidelijk antwoord geven op deze vraag en vragen zich af waarom ouders vinden dat hun kind zo slim is, terwijl hier in de klas weinig van te zien is.
In één van mijn vorige nieuwsbrieven heb ik je verteld dat het kind een onderpresteerder zou kunnen zijn. Echt intelligent, maar ook een kind wat dit liever niet wil laten zien, omdat het dan wellicht gaat opvallen en ook om opmerkingen van andere kinderen te vermijden. Het kind past zich aan, maar voelt zich niet gelukkig in de klas, wat zich soms ook uit in gedrags-problemen.
Het is heel goed dat ouders op tijd aan de bel trekken als er sprake is van een kind dat thuis bijvoorbeeld prima kan tekenen en op school alleen maar krast op het papier, waardoor het lijkt alsof het een achterstand heeft met tekenen.
Of een ouder kind dat de avond vóór het proefwerk overhoord is door een ouder en alles kende, en dan toch een dikke onvoldoende behaalt voor dit zo belangrijke proefwerk.
Hoe vroeger je weet wat er aan de hand is, hoe beter je het kind kunt helpen.
We spreken hier dan over onzekerheid of mogelijke faalangstige kenmerken. Geloof me maar dat het kind zich hier echt rot door voelt.
Die onzekerheid kan voortkomen door allerlei redenen buiten het kind om. Het kan ook zijn dat het in het karakter van het kind zit.
Mijn advies hierin is dat je op een goede manier moet gaan overleggen met de leerkracht van het kind om het bespreekbaar te maken en duidelijkheid te krijgen waarom het kind op school minder goed presteert.
Pas als duidelijk is wat de oorzaak is, kan er ook gerichter aan gewerkt worden.
Het komt vaker voor dat kinderen zich thuis anders gedragen dan op school. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Een kind moet op school in een veel grotere groep functione-ren en de aandacht moet verdeeld worden. Ook zijn er andere regels thuis dan op school. Sommige kinderen vinden het moeilijk om hiermee om te gaan. Het is dan belangrijk om zaken op elkaar af te stemmen. De lijnen moeten kort zijn zodat beide partijen goed op elkaar en op bepaalde situaties kunnen inspelen.
Gerichte observaties en onderzoek behoren ook tot de mogelijkheden. In goed overleg met de school kunnen er dan stappen gezet worden.
Er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van pest-gedrag en dat is nog lastiger en ingrijpender voor het kind.
 
Je kind wordt gepest: wat kun je doen?
Je kind vertelt je dat het op school gepest wordt: als ouder krimpt je hart ineen. Het liefst zou je meteen naar school gaan en dit vandaag nog oplossen. Dit is een heel natuurlijke reactie, maar lees eerst onderstaan-de tips voordat je naar school gaat.
Complimenteren:
Allereerst is het fantastisch dat je kind het aan jou vertelt! Hij vindt het waarschijnlijk moeilijk om over het pesten te praten. Hij schaamt zich en is bang dat jij zal reageren met ‘het zal allemaal wel meevallen’ of ‘waarom laat je je dan ook uitschelden’. Daarnaast wil hij ook niet dat jij je zorgen over hem maakt. Daarom is het belangrijk dat je hem zegt dat je blij bent dat hij naar jou toekomt. Als een kind naar mij als zijn RTer toekomt, wat enkele weken geleden ook gebeurde bij één van mijn kanjers, bedank ik dit kind ook voor het vertrouwen wat hij in mij stelt.

Open houding:
Bij je eigen kind ben je emotioneel betrokken en sta je vaak aan zijn kant. Toch is het belangrijk om met een open houding over het pesten te praten. Zo krijg je een objectief beeld en schrik je hem niet af met je mening:
– luister dus zonder oordeel
– vat samen wat hij vertelt
– vraag door wat er is gebeurd, hoe hij zich   voelde en hoe hij reageerde.
Samen met je kind:
Vraag aan je kind wat hij graag wil dat er nu gebeurt en bespreek met hem hoe jullie dit aan kunnen pakken. Ga het niet voor hem oplos-sen, maar betrek hem bij alles wat jij doet en geef hem een actieve rol. Zo wordt en blijft hij er zelf bij betrokken. Het gaat tenslotte om hem en dit geeft hem ook meer zelfvertrouwen.
Samen met de school:
Praat niet zelf met de ouders van de pester, zij zijn ook emotioneel betrokken bij hun kind. Maak een afspraak met de leerkracht van je kind, zodat hij de tijd neemt voor het gesprek. Zet vooraf met je kind jullie punten op papier. Ga in het gesprek met de leerkracht in op wat jullie samen (school, ouders, kind) kunnen doen, leg niet alles bij de school neer.
Stel dus de volgende vragen:
‘Wat kunnen jullie als school doen?’
‘Wat kan ik als ouder doen?’
‘Wat kan mijn kind doen?’
Maak concrete afspraken over wie wat gaat doen en plan een vervolgafspraak op korte termijn, zodat het niet te lang duurt voor je kind. Spreek ook af dat je kind altijd eerder bij de leerkracht of bij jou of bij iemand die hij vertrouwt terecht kan.
 
Ik word gepest: wat kan ik zelf doen?
Kijk hiervoor ook op de site van de Landelijke Stichting Tegen Zinloos Geweld: www.moed.nl
Hieronder vermeld ik drie van de tips die daar worden gegeven:
Kom voor jezelf op!
Als je gepest wordt kan dat je veranderen: je wordt onzeker, voelt je alleen. Daar is het pesters vaak juist om te doen; zij pesten en jij verandert daardoor. Je durft misschien niets te zeggen tegen die pestkop. Zo kunnen zij heel gemakkelijk doorgaan met pesten. Dus probeer het de pesters zo moeilijk mogelijk te maken. Hoe?
Kom voor jezelf op! Zeg dat het geen zin heeft om jou te pesten, want dat verandert echt niet hoe je eruit ziet of wie je bent.
Zoek kinderen of volwassenen (je juf of meneer, je vader of moeder, je oma of opa, je tante of oom, een lieve buurvrouw of je RTer) op die je kunnen helpen.
Schrijf op wat je tegen die pestkop wilt zeggen.

Als je even niet meer weet wat of hoe je iets moet zeggen, dan geeft dat niks. Vaak schiet je vlak erna iets te binnen wat je graag terug had willen zeggen. Dan denk je bij jezelf: ‘Waarom heb ik dit net niet gezegd?’ Schrijf het op en draag dat papiertje bij je. Zo maak je een lijstje met allemaal dingen die je kunt zeggen als er weer gepest wordt. Dan ben als het ware ‘gewapend met woorden’.
Vertel het altijd aan iemand.
Het liefst natuurlijk aan je ouders. Misschien dat je ouders vroeger ook zoiets hebben meegemaakt en hebben ze daardoor goede tips voor je. Ook kunnen ze je troosten als het even tegenzit. Even je verhaal kwijt kunnen, kan al een verschil maken.

Onzekerheid en pesten kunnen echt veel nare gevolgen hebben voor het kind.
Zelf ben ik van mening dat ook de pester geholpen moet worden. Vaak zijn dit kinderen die zelf ook veel problemen hebben en ervaren en door hun pestgedrag omgaan met hun eigen problemen. Vaak ook zijn zij zich niet bewust dat zij door hun gedrag jouw kind zoveel pijn doen en verdrietig maken, nacht-merries en opstandig gedrag veroorzaken.
Een goede observatie door bijvoorbeeld de intern begeleider op school of door mij als externe Remedial Teacher als objectief persoon kan veel helder maken, waarna er actie ondernomen kan worden. Dit kan uit allerlei verschillende acties bestaan. Dit is helemaal afhankelijk van het kind, zijn ouders, zijn opvoeding, de school en de mogelijkheden die er zijn om dit aan te pakken.
In ieder geval moet er echt iets gebeuren om erger te voorkomen. Soms wordt er in groepjes een sociaal-emotionele training aangeboden aan het kind wat onzeker is of lijkt te zijn. Dit kan heel leerzaam zijn voor zowel het kind als zijn ouders als er tenminste heel veel onderling overleg is tussen de trainer, het kind, de leerkracht en natuurlijk de ouders.
Mijn ervaring is dat de kinderen in zo’n training minder durven te zeggen dan in een indivi-dueel contact met een begeleider of RTer.
 
HEEL VEEL SUCCES!
 
 

Reacties zijn gesloten.