Nieuwsbrief 4 jaargang 1

Vierde nieuwsbrief van mijn praktijk.
Misschien kijken er al enkele leerlingen, hun ouders en collega’s, uit naar de herfstvakantie. Hier in het zuiden begint de vakantie 17 oktober as. Inmiddels is het buiten volop herfst. Mooi!
Deze keer ga ik in mijn nieuwsbrief kort in op de functie van het voorlezen, ook omdat volgende week de kinderboekenweek begint. Ik vertel jullie over de belangrijke executieve functie ‘organiseren’ en ik beschrijf mogelijke tips die kunnen werken om beter met een kind te kunnen praten en om te gaan.  Veel leesplezier!

Kinderboekenweek 2014.
Van 1 tot 12 oktober as is het voor de 60ste keer kinderboekenweek met als toepasselijke titel: ‘FEEST’. Er wordt wel eens beweerd dat het voorlezen vóór het lezen komt en dat je daarmee kunt, mag, moet stoppen als het kind zelf kan of leert lezen. Dit is absoluut niet zo. Ik zal het mijn twee zoons maar niet aandoen om hier eerlijk te vertellen hoe lang ik hen heb voorgelezen…….
Door voor te lezen geef je het kind een gevoel van veiligheid en geborgenheid en het kind geniet van de exclusieve aandacht van de ouder of de leerkracht. Het komt tot rust. Je leert het kind van lezen te gaan houden. Als je regelmatig voorleest, ook in de klas, is de kans groot dat kinderen zelf meer gaan lezen en beter gaan presteren bij o.a. taal, lezen, rekenen en in het spreken. Voorlezen maakt dat je enthousiast wordt om zelf te gaan lezen. Je leert op een natuurlijke manier dat lezen erbij hoort en leuk is. Je leert omgaan met boeken als je wordt voorgelezen of als je zelfstandig leest, je ontdekt dat geschreven taal een functie heeft en dat er een verband bestaat tussen geschreven en gesproken taal. Je leert nieuwe woorden en wordt zo taalvaardiger. Je oefent het luisteren en de concentratie verbetert. Ook leer je visualiseren: Wat (voor)gelezen wordt kun je je levendig voorstellen in je hoofd, wat ook een belangrijke voorwaarde is om wat dan ook te kunnen leren.  (Voor)lezen stimuleert de fantasie. Je kunt de werkelijkheid verlaten om even in een wereld vol fantasie en wensdromen te stappen. Je leert je eigen emoties en gevoelens herkennen, begrijpen en uiten, maar ook de emoties van anderen. Ook bij problemen is er voor elke moeilijke of vervelende situatie wel een boek te vinden dat hulp, steun of troost biedt en er misschien toe bijdraagt die gevoelens te verwerken. Boeken helpen dus om greep te krijgen op de wereld en helpen je die wereld te begrijpen. Kinderen ontdekken dat ze niet alleen zijn met hun gevoelens en dat je ze niet passief moet ondergaan.
Laat een kind altijd zelf een boek uitkiezen!!!
Heel veel (voor)leesplezier!
Executieve functies.
Binnenkort komen de eerste gesprekken op school weer aan de orde. Misschien zijn die ook al geweest. In ieder geval zijn de eerste punten gegeven en heeft de leerling een idee wat hem of haar te wachten staat dit schooljaar. Een lieve of juist strenge leerkracht of mentor? We hebben allemaal onze eigen regels, eisen en vragen aan onze leerlingen. We verwachten eigenlijk bijna automatisch van de leerling dat hij of zij zich aanpast aan onze wensen. Voor de meeste kinderen is dat geen probleem, maar voor sommige kinderen juist wel. De functie organiseren zou ervoor moeten zorgen dat het kind het huiswerk en opdrachten goed bijhoudt, dat het kind de zijn mobieltje, iPod en andere belangrijke (en dure) spullen op een vaste plek bewaart en dat het tevens bijhoudt waar het geld aan wordt uitgegeven! Het zou fijn zijn als dit ook daadwerkelijk lukt en het kind nooit eens iets kwijt raakt. Ook zou het fijn zijn als het kind alle spullen zou kunnen vinden in zijn netjes opgeruimde schooltas of slaapkamer, als het de gedachten kan ordenen om een opstel of een boekverslag zelfstandig te kunnen schrijven en de slaapkamer, het kluisje of het kastje netjes opruimt. Organisatie is de vaardigheid waarmee je voorwerpen of gedachten op een logische manier ordent. Dat helpt om op school, thuis en bij andere activiteiten te kunnen vinden wat je nodig hebt. Organiseren voor ons, als volwassenen, geldt dus ook dat je alle ingrediënten verzamelt om een gerecht te koken of je sportspullen bij elkaar zoekt voor een training. Er zijn twee soorten organisatie-vaardigheden: de organisatie van jezelf en die van je spullen. Bij die eerste gaat het erom dat je weet wat je nodig hebt om korte- en langetermijndoelen te stellen en te realiseren. Bij de organisatie van spullen zorg je ervoor dat je over alle benodigdheden kunt beschikken als je aan een taak begint, zodat je deze ook kunt afmaken. Organisatie is dus een steeds terugkerende activiteit. Ook al weet je hoe je organiseert, je moet telkens weer onthouden waar alles ligt, je spullen op de juiste plek terugleggen en de boel regelmatig opnieuw organiseren. Mensen die geregeld tijd en aandacht besteden aan organiseren, merken doorgaans dat het gemakkelijker wordt als alles eenmaal op zijn plek ligt. Veel kinderen (en volwassenen) hebben hierbij hulp nodig. Je wordt efficiënter en je vermijdt vaak frustraties.

Veel kinderen, tieners en volwassenen hebben het zó druk en zijn zó gehaast dat ze niet de tijd nemen om hun spullen op te bergen. Wanneer ze die dingen dan later zoeken, zijn ze uren kwijt aan zoeken. Andere mensen kan het niet zoveel schelen dat hun kamer rommelig is of dat ze wat extra stress hebben van de wanorde. Organiseren is niets voor hen. Die mensen hoeven natuurlijk niet per se te veranderen, maar soms maakt het ons leven gewoon makkelijker.  Het is één van de executieve functies en het makkelijkst te verbeteren. Voordat je je organisatievaardighe-den gaat verbeteren, moet je precies weten wát je wilt verbeteren: huiswerk efficiënt maken, weten waar de spullen liggen voor sporten en naschoolse activiteiten, weten waar je geld is en het niet kwijtraken, een schoon en opgeruimd bureau, huis of kluisje hebben, weten waar je kleren zijn en je vieze kleren in de wasmand stoppen, etc.
Spreek met jezelf of met het kind enkele dingen af die je wilt veranderen, verander het, doe het en doe het nog een keer. Organisatie is een handeling, het gaat niet vanzelf. Wanneer je eenmaal hebt besloten om iets (opnieuw) te organiseren, moet je het ook bijhouden. Het is het beste om met iets simpels te beginnen wat je regelmatig kunt doen. Zo kun je starten met opruimen. Gooi weg wat je niet meer nodig hebt van de vorige week en begin de week met een schone lei. Zorg voor vaste plekken voor je spullen. Neem de tijd om te stoppen, na te denken en te organiseren. Doe het vooral niet voor anderen, maar doe het voor jezelf. Leer ook je gedachten te organiseren voor schrijfop-drachten. Gebruik desnoods plaatjes en foto’s. Maak gebruik van andere kwaliteiten. Vraag hulp als het niet goed lukt!  Ook ik kan  als remedial teacher hulp bieden bij het ontwikkelen van executieve functies als daar behoefte aan is!
Heel veel succes!
Volgende keer ga ik in op Planning: wát moet ik doen?
Contactproblemen met je kind.
In mijn vorige nieuwsbrief ging ik in op de behoeftes van een kind in de puberleeftijd en op de valkuilen voor het optreden van een ouder in een gesprek met het kind.
Ik hoop dat het alle ouders lukt om op een goede en efficiënte manier in contact te blijven met het kind op zo’n manier dat beiden hier een goed gevoel bij hebben. Een goed gesprek voeren met pubers vinden sommige ouders één van de moeilijkste dingen die er zijn. Hoe breek je door ‘daar heb ik nu effe geen zin in’ en ‘ben je klaar met preken’ heen? Als je echter mét in plaats van tegen hen praat, komt zelfs de meest zwijgzame puber meestal uit zijn schulp. Praten is contact maken, niet je zin proberen te krijgen! Uitlatingen als: ‘Je doet wat ik zeg en daarmee uit’ of ‘Jij denkt altijd alleen maar aan je eigen pleziertjes’ laten zien dat de manier waarop ouders communiceren met hun kinderen gewelddadiger is dan ze beseffen. Trots zijn op je kind geeft jezelf én het kind een geweldig goed en competent gevoel.

Goede tips zijn o.a.:

  1. Toon oprechte belangstelling (met een leeg hoofd en niet terwijl je in gedachten stressvol bedenkt hoeveel je vandaag nog moet doen) en ga niet direct oordelen, veroordelen en onderbreek niet steeds. Ga ervan uit dat je puber het meest deskundig is over zichzelf en niet jij als ouder. Houd je eigen mening voor je en geef het kind de tijd om zijn verhaal te doen;
  2. Stel neutrale vragen, dus vragen die het kind stimuleren om verder te vertellen;
  3. Maak van een gesprek geen verhoor. Een vraag als ‘Hoe was dat voor jou?’ klinkt voor veel ouders raar, maar levert vaak wel verrassende antwoorden op;
  4. Zorg dat ze zich veilig voelen. Soms krijg je dingen te horen die je niet zo leuk vindt. Hoe neutraler je reageert, hoe veiliger ze zich voelen. Kom niet direct met adviezen en oplossingen;
  5. Vermijd dubbele boodschappen. Als je een puber een vraag stelt en bereid bent om zijn nee te accepteren, is de kans groter dat hij ja zegt. Iets zelf bepalen vinden ze veel leuker dan van alles te moeten. Het moet natuurlijk geen trucje worden om toch je zin te krijgen….. dat hebben ze feilloos door;
  6. Durf emotioneel te zijn. Veel ruzies gaan over zaken als te laat thuiskomen en geen huiswerk maken. Maar vaak zit er iets anders achter: je bent bang dat hem iets overkomt of dat hij zijn toekomst verknalt. Vraag je op een rustig moment af wat je echt belangrijk vindt. Benoem dat heel concreet en maak duidelijk wat je gevoelens daarover zijn. Pubers zijn eerder onder de indruk van gevoelens dan van rationele argumenten van hun ouders;
  7. Maak gebruik van hun vermogen om problemen op te lossen. Veel van wat ouders afspraken noemen, zijn opgelegde regels, verpakt in een democratisch jasje. Dan zegt het kind vaak ja om van het gezeur af te zijn en doen vervolgens waar ze zin in hebben. Luister ook eens naar de argumenten en de gevoelens van het kind. Spreek hem vervolgens aan op zijn vermogen om het probleem op te lossen. ‘Wat ga jij hieraan doen? En wat zou je willen dat wij doen?’ Dan voelt hij zich serieus genomen. De kans is groot dat hij met een voorstel komt en dat jullie er samen uitkomen;
  8. Spreek hen aan op hun gedrag. Zeg gerust dat je je boos en teleurgesteld voelt, omdat hij zich niet aan de afspraak houdt en vraag vervolgens: ‘Hoe ga je dat oplossen?’ Dít gedrag benoemen, niet al het negatieve gedrag van het afgelopen halve jaar……;
  9. Stel grenzen. Ga niet eindeloos argumen-teren als het kind dingen doet die écht niet kunnen. Zeg gewoon: ‘Wij zijn je ouders en vinden dit belangrijk. Punt uit.’ Houd rekening met tegenwerking en verzet. Maar bedenk ook dat de meeste pubers blij zijn als hun ouders grenzen stellen, al zullen ze dat natuurlijk nooit hardop zeggen;
  10. Verplaats je in hen. Pubers zijn net mensen. Ze hebben gevoelens en verlangens, voor- en afkeuren. En die zijn net zoveel waard als die van hun ouders. Soms moet je zeggen: ik vind dit belangrijk, maar jij mag iets anders vinden. Misschien wil hij best aan je wens tegemoet komen, maar op een andere manier dan jij in gedachten had;
  11. Geef vertrouwen. Ouders vinden vaak dat hun kind vertrouwen moet verdienen. Maar pubers willen liever eerst vertrouwen krijgen en dan bewijzen dat ze het waard zijn. Dat is een eeuwige bron van spanning. Benoem gewoon: ‘Ik moet leren om ouder van een puber te zijn en je niet steeds maar te beschermen.’ Pubers waarderen het enorm als hun ouders zich kwetsbaar opstellen. Als ze dat vertrouwen beschamen, door te liegen of te bedriegen, moet je ze daar natuurlijk op aanspreken. ‘Ga jij me maar vertellen hoe je mijn vertrouwen weer gaat winnen’;
  12. Verwacht niet dat ze alles vertellen. Afstand is belangrijk voor een puber die zijn eigen identiteit moet opbouwen. Intimiteiten delen doe je met leeftijdgenoten. Dat geldt voor pubers én voor ouders. Pubers vinden het vaak ook gênant om intimiteiten van hun ouders te horen…….;

 

  1. Wees niet beledigd. Laat hen ook openstaan voor meningen van anderen dan alleen die waarmee ze zijn opgegroeid. Je zult merken dat ze later toch weer dicht bij jouw mening uitkomen;
  2. Uit je waardering. Prijs hen niet overmatig, want dat heeft geen enkel effect. Zeg liever heel concreet wat je ziet en wat je daar goed of bijzonder aan vindt. ‘Wat heb je dat goed gezegd’. Dan voelen ze zich echt gezien en gewaardeerd;
  3. Praat terwijl je iets doet. Vooral jongens vinden het geweldig als ze hun mening mogen geven over technische aangele-genheden. Waardering daarvoor maakt ze direct enkele centimeters groter. Van samen iets doen – een klerenkast uitmesten, foto’s op een website zetten – genieten ze ook. Dat schept een band en nodigt uit tot contact;
  4. Wees betrouwbaar. Dat is iets anders dan consequent zijn wat betekent dat je regels altijd naleeft. Hou op, dat lukt niemand. Geef jezelf lucht en doe ook je puber een lol. Als je moe bent of een keer geen zin hebt, moet je kunnen zeggen: die afwas komt morgen wel weer. Betrouwbaarheid gaat dieper, daarmee laat je weten dat ze te allen tijde bij je terecht kunnen. Ook als je hun gedrag afkeurt;
  5. Vergeet niet te lachen. Communiceren met pubers gebeurt vaak zo serieus, op het randje van stress en strijd. Ouders en pubers mogen elkaar best wat meer plagen met minder gezellige gewoontes en eigenschappen. Pubers kunnen dat heel goed hebben, vooral jongens. Humor en een beetje provoceren halen de scherpe kantjes eraf.

Geniet optimaal van je kind, in wat voor leeftijd dan ook. Iedere leeftijd heeft zijn charme. Mijn jongens zijn nu 27 en 25 jaar en zelfstandig, maar het blijven mijn kinderen en de deur blijft wagenwijd openstaan voor hen (en hun vrienden).
 

  • ik bij het maken van deze nieuwsbrief ook veel heb gedacht aan de opvoed-perikelen van mezelf en mijn kinderen?
  • ik besef dat deze nieuwsbrieven eigenlijk wel heel uitgebreid zijn?
  • ik toch hoop dat u het interessant vindt om te lezen?
  • ik eigenlijk graag zou hebben dat u mij over deze brieven of iets anders feedback geeft per mail, via mijn FB pagina of het gastenboek op mijn website?
  • ik over twee weken opnieuw nieuws meld, u veel succes toewens in alles en u nu mijn hartelijke groeten doe?

Reacties zijn gesloten.