Nieuwsbrief 7 jaargang 1

Zevende nieuwsbrief van mijn praktijk.
Deze keer ga ik in op de executieve functie timemanagement en ik ga nog dieper in op ern-stige leesproblemen en dyslexie. Ook beant-woord ik opnieuw een opvoedings- en didac-tische vraag. Erg fijn dat deze vragen nu ook aan mij worden gesteld. Veel leesplezier!

Opvoedingsvraag van de week:
Je hebt al iets verteld over het in gesprek gaan en blijven met mijn dochter, maar ik begrijp haar gewoon niet. Wat kan ik daar nog aan doen?’
Bedenk alsjeblieft even hoe je vroeger zelf was als puber. Misschien herinner je je hoe jij bij vlagen de wereld naar de verdoemenis zag gaan of je afvroeg waarom we in hemelsnaam op aarde zijn. Pubers hebben intense gevoelens, die vaak even snel opkomen als verdwijnen.
Dooddoener nummer één: de gevoelens van je puber bagatelliseren. Opmerkingen als ‘stel je niet zo aan, geniet toch van het leven, je hebt alles en nog ben je niet tevreden’ helpen niet en zijn kwetsend. Je neemt je puber niet serieus en je mist mogelijke informatie over de achterlig-gende redenen van zijn somberheid. Ga ook niet preken en zeg niet: ‘Wat ben je toch somber’.  Liever: ‘Ik maak me een beetje zorgen om je. Ik heb het idee dat je je somber voelt. Wil je daar iets over vertellen?’ Slim is als je een goed moment zoekt voor een gesprek. Voor het ene kind is dat oog in oog bij een kop thee, voor de ander tijdens de afwas of het uitlaten van de hond. Dwing geen gesprek af, maar nodig je kind uit tot praten. Ga niet adviseren, maar stel verhelderende vragen zonder oordeel: ‘Wanneer voel je je somber?’ ‘Waar denk je dan aan?’ ‘Kan ik iets voor je doen?’ Luister oprecht naar het antwoord. Dring niet aan als je puber geen zin heeft om te praten. Geef aan dat hij altijd bij je terecht kan. En hou zelf in de peiling hoe lang je kind al somber is. Gaan zijn cijfers achteruit, heeft hij minder sociale contacten? Trek aan de bel bij zijn mentor of stel mij gerust een vraag als er iets nog niet duidelijk is of als je er nog dieper op in wilt gaan.
Didactische vraag van de week:
‘Wat kan ik doen aan een kind met gedrags-problemen in mijn klas?’
Kinderen met ‘probleemgedrag’ willen het ook gewoon goed doen. Het lukt hen alleen (nog) niet. Er zijn al veel definities bedacht voor gedrags-problemen. Eigenlijk komt het er op neer dat een kind of een aantal kinderen niet doet wat jij als leerkracht graag wilt. De verschijningsvormen van gedragsproblemen zijn even divers als er kinde-ren zijn.
Iedere leerkracht kent zijn eigen voorbeelden.
Hoe kun je kijken naar gedragsproblemen?
Als eerste moet je beseffen dat geen enkel kind ’s morgens naar school komt met het idee om van-daag eens even flink dwars te liggen en het leven van klasgenoten en de leerkracht te verpesten. Dat dit desondanks toch nog wel voorkomt, moet je als leerkracht beschouwen als een signaal, een kreet om hulp.
Als een kind dwarsligt, probleemgedrag vertoont, moet je gaan bekijken waar dat aan ligt. Vaak zijn we daarbij gewend te bekijken wat het kind ‘mankeert’. Het is echter ook goed om ook na te gaan wat je eigen leerkrachtgedrag bijdraagt aan de problemen. Veel gedragsproblemen verminde-ren door een veranderde houding van de leer-kracht! Er moet ook worden gekeken naar de omgeving (thuissituatie, klasgenoten, plek in de klas, etc.). Al deze componenten zijn immers van invloed op iemands gedrag. Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek dat kinderen die een scheiding meemaken, de eerste twee jaar na de scheiding vaak enorm in prestaties achteruit gaan en soms onhandelbaar gedrag vertonen.
Belangrijk is dat er dus niet alleen gekeken wordt naar het kind, maar naar de totale omgeving van het kind. En ook belangrijk is dat er een gesprek wordt gevoerd met het kind waarom het kind dwarsligt. En in dat gesprek moet vooral het kind praten en niet jij als leerkracht. De meeste kinderen kunnen dat op hun eigen manier goed verwoorden, mits er een vertrouwelijke band is met de leerkracht of diegene die het gesprek voert.
Executieve functies.
In mijn vorige nieuwsbrieven besprak ik de executieve functies organisatie en planning.  Organisatie is de vaardigheid waarmee je voor-werpen of gedachten op een logische manier ordent. Toen sprak ik over planning: wát moet ik doen? Bij planning denk je na over wat je wilt doen en over de manieren om daar te komen én hou je rekening met de obstakels die je tegen kunt komen.  Daarna ging ik in op: wanneer moet je opletten?
In deze nieuwsbrief is timemanagement aan de beurt: wanneer je té veel te doen hebt.

Timemanagement is een executieve functie die helpt om taken efficiënt te beginnen en af te ronden. Het houdt in dat je in staat bent om tijdig op dingen te reageren. Het helpt bij het inschatten van de hoeveelheid tijd die je nodig hebt om taken te doen en bij het maken en volgen van een schema. Je moet er de tijd voor in de gaten kunnen houden én letten op hoeveel energie je ergens in stopt. Je moet onderscheid kunnen maken tussen hoe dringend de verschillende taken zijn die je hebt. Je hoeft dus niet gestrest te raken omdat je dingen moet doen, maar je moet je wel bewust zijn van de tijdsbeperkingen en je prioriteiten daarop afstemmen.
Om effectief aan timemanagement te doen heb je ook andere vaardigheden nodig, zoals concen-tratievermogen, organisatie en planning. Wil je je tijd goed indelen, dan moet je soms ook beslissen wat je het belangrijkste vindt en inzien dat andere dingen zullen moeten wachten.
Soms gebeuren er dingen waar je geen invloed op hebt, zoals het feit dat je die opdracht, je huiswerk of die brief niet kunt maken, omdat internet eruit ligt. Je moet het dus niet altijd willen toepassen. Je gebruikt het wel in situaties met deadlines of schema’s waarin je taken op een efficiënte manier af  moet krijgen. Het helpt echt als je geen tijd wilt verdoen aan dingen die weleens onnodig blijken te zijn. Je past het bijvoorbeeld toe als je moet studeren voor een examen, als je je kalender of agenda op je telefoon of pc goed wilt gebruiken, als je taken thuis moet doen, om op tijd naar bed te gaan en op te staan, om te bepalen hoe lang een activiteit gaat duren of om te bepalen hoeveel tijd je nodig hebt om een boodschap te doen of je huiswerk af te krijgen.
Als je goed bent in timemanagement lukt het je dus om dingen af te krijgen en dit tevens te doen zonder uitstel en houd je nog genoeg tijd over voor de dingen die je écht leuk vindt.
Bij langetermijnprojecten helpt timemanagement om niet gestrest te raken tegen het einde van het project, omdat je het ruim voor de deadline afkrijgt.
Wanneer je niet goed bent in timemanagement zul je merken datje er veel langer over doet om de dingen af te krijgen die je eigenlijk niet wilt doen. Vaak overdrijf je hoe lang iets gaat duren of onderschat je dat juist, waardoor je  niet genoeg tijd inplant om het af te krijgen.
Er zijn genoeg strategieën, hulpmiddelen en instrumenten om deze vaardigheden mee te verbeteren.
Ga eerst echter duidelijke en haalbare doelen stellen en doe dit met maximaal drie doelen tegelijkertijd. Als het er te veel zijn, wordt het lastig om prioriteiten te stellen en dat heb je juist nodig om beter te worden in time-management. Prioriteiten stellen helpt bij het kiezen van de doelen die op dit moment het belangrijkst zijn.
Eerst moet je stoppen, nadenken en uitvinden wat het belangrijkste is om te doen als je veel dingen tegelijk moet doen. Dat is minder gemakkelijk dan het klinkt.
Het kan helpen om een lijst te maken waarop je activiteiten in volgorde van belangrijkheid zet en eventueel met activiteiten te schuiven.
Leer in te schatten hoelang je ergens over gaat doen. Voordat je aan het huiswerk begint, je kamer opruimt of een andere opdracht uitvoert, schrijf je eerst op hoelang je erover denkt te gaan doen. Zodra je klaar bent, controleer je of je in de buurt van je schatting bent gekomen. Als je dit regelmatig bijhoudt, zul je steeds beter kunnen inschatten hoelang je over bepaalde opdrachten doet. Dat helpt om zeker te weten dat je genoeg tijd hebt om af te krijgen wat je af moet hebben, zodat je ook tijd hebt voor de dingen die je graag wilt doen.
Geef jezelf een beloning als je iets snel en efficiënt afrondt. Bepaal wat een realistische tijd is en als het je binnen die tijd lukt, beloon je jezelf met iets leuks.
Maak schema’s. Hang een grote kalender op een goed zichtbare plek. Aan het begin van elke maand schrijf je alle terugkerende dingen op. Werk met verschillende kleuren om onderscheid te maken tussen drukke en minder drukke dagen. Ook langere projecten, vakanties en andere belangrijke gebeurtenissen kun je op de kalender of m.b.v. een app op je pc of in je telefoon zetten. Je kunt je telefoon zo instellen dat je wordt gewaarschuwd door wekkers en berichten. Gebruik je telefoon als timer om de tijd bij te houden die je aan een opdracht besteedt of om je eraan te herinneren dat je die opdracht binnen een bepaalde tijd moet doen. Als je je agenda gebruikt moet je er wel voor zorgen dat je er ook alles inzet en moet je er ook wel geregeld in kijken. Streep door wat je gedaan hebt en stel nieuwe prioriteiten voor de dingen die je moet doen door er nieuwe onderwerpen bij te zetten.
Ga oefenen met timemanagement door iemand anders te helpen. Het is soms gemakkelijker om iemand anders te helpen met het stellen van prioriteiten en het indelen van hun tijd. Stel daarbij vragen om duidelijk te krijgen wat het belangrijkst is voor die persoon en hem een inschatting te laten maken van de tijd die hij erover zal doen om al zijn taken afzonderlijk te voltooien.
Voor gezinnen geldt dat het maken van een schema op een whiteboard o.i.d. helpt bij timemanagement, een geweldig hulpmiddel om op een relatief simpele manier overzicht te houden en geweldig duidelijk voor je kinderen.
Veel plezier en succes met het oefenen van deze belangrijke executieve functie….
Volgende keer ga ik in op zelfbeheersing: stop-pen, ontspannen en beslissen.

Leesproblemen en/of dyslexie.
In mijn vorige nieuwsbrief ging ik in op dyslexie en ernstige leesproblemen en vertelde ik dat dyslexie een leerstoornis is,  waarbij mensen ernstige problemen ondervinden bij het technisch (leren) lezen en/of spellen. Daardoor worden zij belemmerd optimaal van het onderwijs te profiteren. Tevens vertelde ik dat dyslexie  het gevoel van eigenwaarde zwaar kan ondermijnen. Het kan tot flinke frustraties leiden als het kind wel voldoende intelligent is, maar het technisch lezen niet onder de knie kan krijgen.
In deze nieuwsbrief meer  over dyslexie in het algemeen.
Voor alle duidelijkheid vermeld ik dat dyslexie beslist géén luiheid is van kinderen, géén gebrek aan intelligentie is, géén modeziekte is die bedacht wordt door veeleisende dan wel gemak-zuchtige ouders en ook géén speciale gave is (al kunnen kinderen met dyslexie – net als andere kinderen – uiteraard wel speciale begaafdheden hebben op een ander gebied).
Dyslexie is vaak wél een erfelijke kwestie. Het komt vaak voor dat ouders die hun kind bij mij aanmelden voor een dyslexiebehandeling zelf een frustrerende schooltijd achter de rug hebben, zonder ooit te hebben geweten dat de oorzaak van hun problemen dyslexie was.
Dyslexie is niet bij elk kind hetzelfde. Het kan variëren in de manier waarop het tot uiting komt, in de ernst van de stoornis, in achterliggende problemen en in bijkomende stoornissen.
Sommige leerlingen lijken alleen moeite te hebben met hardop lezen, maar kunnen eenvoudige teksten vrij probleemloos stillezen en begrijpen. Andere leerlingen kunnen leesproble-men goed compenseren, maar hebben grote moeite met de spelling. Dit heeft uiteraard consequenties voor de aanpak in mijn behandeling aan de leerling.
Onderzoek heeft uitgewezen dat driekwart van de kinderen met dyslexie fonologische verwer-kingsproblemen heeft (moeite met het herkennen van de klankstructuur in een woord).
Ouders met hun kind in mijn praktijk herkennen dit woord zeker, want ik besteed hier elke les aandacht aan.
Dyslexie komt ook vaak voor in combinatie met andere leerstoornissen zoals dyscalculie (ernstige problemen met rekenen en wiskunde), aandachts-tekortstoornis (ADHD), motorische stoornis (DCD), ernstige spraak-taalstoornis of aan autisme verwante stoornis (ASS). We noemen dit samengaan van stoornissen comorbiditeit.
Het is erg belangrijk dat ook die andere stoornissen worden herkend en erkend, want iedere stoornis heeft een specifieke aanpak nodig. Voor dyslexie is deze gericht op lees- en spellingtaken, waarbij ik echter ook rekening houd met eventuele andere problemen.
Het doel van de behandeling bij dyslexie is het zo snel mogelijk bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van automatisering van de woordher-kenning en schriftbeeldvorming (technisch lezen en spelling), het kunnen omgaan met een laag niveau van deze automatisering m.b.v. compen-serende strategieën, het voorkomen van achter-stand in verhouding tot het geheel van de individuele, intellectuele mogelijkheden en het voorkomen of verminderen van emotionele en sociale problemen.
In mijn behandeling aan de leerlingen streef ik ernaar om het kind minimaal het niveau van ‘functionele geletterdheid’ te laten halen, waar-mee ik bedoel dat ik ernaar streef om het kind geschreven taal te kunnen laten gebruiken als middel voor communicatie- en informatieverwer-king, meestal is dit minimaal niveau E6 (eind groep 6).
De aanpak is bij dyslexie eigenlijk nooit simpel of kortdurend. Alle partijen (het kind, de ouders, de RTer en de leerkracht) moeten er hard voor knokken. Vroegtijdige onderkenning en een goede ondersteuning is een belangrijke zaak. Voor de RTer is een specialisatie dyslexie minimaal een ‘must’. Ik heb hiervoor twee verschillende oplei-dingen gevolgd met beide een andere kijk op dyslexie, zodat ik aan ieder individueel kind het allerbeste kan aanbieden om de problemen zo goed mogelijk kan aanpakken.
Volgende keer meer over de kenmerken van dyslexie.
 
 

  • ik de ouders niet kan missen in mijn aanpak van dyslexie, omdat ik het simpelweg niet red met een uurtje per week om de problemen op te lossen?
  • ook volwassenen dyslexie kunnen hebben en dan flink gehinderd worden in het uitoefenen van hun beroep?
  • ik ook een vader van een leerling heb behandeld met succes, zodat hij nu zijn opdrachten ’s avonds nog kan lezen die hij als zelfstandige met een eigen zaak

’s morgens heeft opgeschreven bij een klant?

  • ook kinderen die hoog- of meerbegaafd zijn enorme problemen kunnen hebben?
  • ik hier in mijn toekomstige nieuwsbrieven ook op in ga?
  • ik enorm goed en fijn word geholpen door de ouders van mijn leerlingen die dan ook dé experts zijn van hun kind?
  • ik erg tevreden ben over de inzet en samenwerking van en met de ouders van al mijn leerlingen?
  • ik weet en besef dat ik mag werken met  hun kostbare bezit?
  • ik over twee weken in ga op de executieve functie zelfbeheersing, ken-merken van dyslexie en opnieuw een didactische- en opvoedingsvraag beant-woord die nu ook aan mij worden gesteld?
  • ik over twee weken opnieuw nieuws meld, u veel succes toewens in alles wat u moet doen en moet plannen en u nu mijn hartelijke groeten doe?

Reacties zijn gesloten.